De eerste werkervaring.

Het werken in de digigroep van het Afasiecentrum is nu een paar weken aan de gang. Het geeft zoveel voldoening dat ik er wekelijks naar uitkijk. ‘We’ hebben er inmiddels een vrijwilliger bij. Een bijna afgestudeerde psychologiestudente die in het vrijwilligerswerk een mooie kans ziet voor het opdoen van werkervaring. Het is gezellig en de tijd vliegt voorbij.

Makkelijk is het nog steeds niet. Als meest ervaren technicus voel ik me min of meer verantwoordelijk voor het oplossen van de technische problemen die er elke week in overvloed zijn. Veel van de cliënten hebben zowel een tablet als een smartphone. Die telefoon is noodzakelijk om bijvoorbeeld Whatsapp te kunnen gebruiken, maar is te priegelig om te kunnen bedienen met de beperkingen die ze nu eenmaal hebben. Daarvoor gebruiken ze de tablet. Die twee apparaten moeten dan uiteraard wel op een goede manier samenwerken. Eenmaal instellen en het is voor elkaar, zou je denken. Mis. Het is alleen voor die dag in orde. Na een week thuis van alles geprobeerd te hebben blijkt de boel vaak weer helemaal ontregeld. 

Wat ik me vooraf niet zo gerealiseerd had is dat je met dit werk diep in het privé leven van de cliënten binnendringt. Niet omdat het zo leuk is, gewoon omdat het niet anders kan. Je moet gebruikersnamen en wachtwoorden weten en onthouden, zelf kunnen ze dat niet. Je ziet ook alle e-mail en ander berichtenverkeer, waarbij je soms dingen onder ogen krijgt die alleen voor de cliënt bestemd zijn. Natuurlijk ga je daar discreet mee om, toch voelt het soms alsof je een indringer bent. 

Het moment dat iemand zichtbaar blij is dat je hem ergens mee geholpen hebt is fantastisch. Vorige week was dat bij een cliënt die sinds zijn revalidatie alleen woont en erg graag voor zichzelf wil gaan koken. Ik heb hem aan een app geholpen die tijdens tijdens de bereiding het beeldscherm actief houdt, zodat hij alle tijd heeft om te koken. Daar had ik een voldaan gevoel over, tot ik die avond zelf met koken begon. Hoe zou hij in vredesnaam aardappelen schillen, met een hand? dacht ik bij mezelf. Deze week was hij er niet; ik heb het hem nog niet kunnen vragen.

De grootste uitdaging voor mij is om de mensen te helpen hun verhaal onder woorden te brengen. Het is leuk als je kunt appen, als je niks te vertellen heb, dan heb je daar niet veel aan. De vaste medewerkster heeft me geleerd hoe je mensen structuur kunt geven door ‘W’ vragen te stellen. wie, wat, waar, wanneer, waarom? Zelf voeg ik daar soms stiekem ‘hoe’ aan toe. Die simpele vragen helpen de mensen hun gedachten te ordenen, zodat ze kunnen vertellen wat ze bezig houdt. De woorden letter voor letter intypen is dan nog steeds een hele opgave. Een van de cliënten zei vandaag: ‘Een woord opdelen in letters is voor mij net zo’n onbegonnen taak als het verdelen van een populier in luciferhoutjes.’ 

Eén gedachte over “De eerste werkervaring.”

  1. Wat fijn dat je dit werk doet, Simon, en mensen met afasie tot hulp kan zijn. Ah, mijn moeder overleed in 1995 en had Afasie. Er bestonden wel al computers, maar daar heeft ze kortstondig les op gehad en leerde kledingstukken aan te clicken. Echter, met een tablet was ze wellicht verder gekomen met het zich uitdrukken. Misschien. Maar ja, het is zinloos om over als ze, te denken.

    In ieder geval vind ik het fijn dat jij mensen met afasie helpt, Simon , net alsof je ook nog een beetje mijn moeder helpt.<3

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *