Een goed gesprek

Vandaag had ik een bijzonder gesprek over een bijna-dood ervaring met een cliënte van de organisatie voor mensen met afasie, de organisatie waarvoor ik als vrijwilliger werk.

Ik ken haar al wat langer, een jonge vrouw; ze komt wekelijks naar de digigroep waar ze ondersteuning krijgt voor het gebruik van digitale middelen, in haar geval een tablet en een telefoon. Daar staan apps op die helpen om te communiceren met anderen, om te genieten van muziek en voor het organiseren van haar leven. Toch hadden we nooit eerder een zo persoonlijk gesprek.

Anderhalf jaar geleden kreeg ze een herseninfarct, tijdens een repetitie van het orkest waarin ze fagot speelde. Waarschijnlijk is dat haar redding geweest, dat er mensen om haar heen waren die adequaat reageerden. Had ze hetzelfde later in de avond gekregen, terwijl ze alleen thuis was, dan zou ze dat waarschijnlijk niet overleefd hebben.

Ze is weer gedeeltelijk hersteld. Spreken gaat redelijk goed, al zorgt de afasie ervoor dat ze soms naar woorden moet zoeken, vooral als ze moe of gespannen is. Schrijven en lezen gaat slechter. Het lukt wel, maar het kost heel veel moeite. Daarnaast heeft ze rechtszijdig bewegingsproblemen met haar been en arm. Dat is de laatste maanden wat beter geworden. Meer herstel zit er niet in. Ze loopt met een stok. Fagot spelen kan ze niet meer.

Ondanks alles lijkt ze altijd opgewekt. De laatste maanden zeker; over twee weken verhuist ze terug naar haar geboortedorp in Limburg. Dat maakt haar blij. Ze is intelligent en kan daardoor goed overweg met de digitale hulpmiddelen die ze heeft. Feitelijk is ze ‘uitgeleerd’ wat dit betreft, vandaar dat er ruimte was voor een gesprek.

Tilburg

‘Hoe ben je als Limburger eigenlijk in Tilburg beland?’ vroeg ik. 
‘Tja,’ zei ze, ‘dat is een heel verhaal. Ik studeerde aan het conservatorium in Den Haag. Na mijn afstuderen kreeg ik een plek in een orkest, ook in Den Haag. Dat orkest werd samengevoegd met een ander orkest en verhuisde naar Assen. Dat was voor mij een stap te ver. Ik ben in Amersfoort gaan wonen. Centraal in het land. Zo kon ik mijn vrienden in Den Haag opzoeken, naar mijn ouders in Limburg reizen en toch de repetities van het orkest bijwonen. Een heerlijke stad, Amersfoort.’ 

Het infarct

‘Toen ik het infarct kreeg wist ik niet wat er gebeurde. Mijn rechterkant voelde slap en begon te tintelen. Ik wilde opstaan om naar het toilet te gaan, weg van de drukte. Zo ver kwam ik niet. Ik zakte in elkaar en raakte bewusteloos. Het schijnt dat ik nog overgegeven heb. Daar kan ik me niets van herinneren. Hoe het verder ging heb ik alleen van horen zeggen. De ambulance kwam en nam me mee. Om de een of andere reden dachten ze dat het Wilhelmina ziekenhuis in Assen niet geschikt was voor mijn geval, daarom werd ik naar het Academisch Ziekenhuis in Groningen gebracht. Een aantal dagen heb ik daar kritiek gelegen, in coma, tussen leven en dood.’

“Het was een doodnormale man.”


‘Terwijl ik in coma lag had ik een gesprek met een man. Nou ja, ik zeg man, maar eigenlijk kon ik niet zien of het een man of een vrouw was. Van mezelf zag ik dat ook niet. Dat vond ik heel eigenaardig. Wie of wat die ‘man’ was weet ik niet. Als het God was, dan was het niet de almachtige God waarover de pastoors me altijd verteld hebben, de God die alles weet en alles regelt. Het was een doodnormale man. We spraken over koetjes en kalfjes. Hij legde uit wat hij van de wereld ontdekt had. Dat het jammer was dat er zo veel ellende is. Dat hij daar helaas niets aan kon doen.’

Rust

‘Ik werd heel rustig van dat gesprek. Aan het eind vroeg hij: “Wil je terug naar je zus en je ouders, of wil je bij mij blijven?”
Ik wilde dolgraag terug. “Terug naar waar ik vandaan kom,” zei ik. Niet eens dat ik terug naar mijn vader en moeder wilde. 
Hij glimlachte en zei dat het goed was. “Wanneer moet ik dan weer hier komen?” vroeg ik. Hij glimlachte weer. “Daar praat ik niet over,” zei hij en hij verdween.’

‘Nadat ik wakker werd besefte ik stukje bij beetje wat er gebeurd was en wat de gevolgen waren. Voor mijn ouders was het ondoenlijk om steeds van Limburg naar Groningen te reizen. Daarom werd ik, toen het weer wat beter ging, naar het Academisch Ziekenhuis in Maastricht vervoerd. Daar heb ik een nare tijd gehad. Er zijn dingen gebeurd waar ik niet over wil praten. Vandaar dat ik uiteindelijk hier in Tilburg kwam.’

“Voor mij is het geen geloof maar een zeker weten.”

‘Het gesprek tijdens mijn coma heeft me rust gegeven. Ik weet dat het ooit goed komt, dat ik terug zal gaan naar Hem, samen met mijn vader, mijn moeder en mijn zus. Het leven leef ik nu zoals het komt, ik accepteer wat ik heb. Van elk moment probeer ik te  genieten. Ik weet niet of je het gelooft, dat maakt me ook niet uit. Voor mij is het geen geloof maar een zeker weten. Dat kan niemand me afnemen.’

“Hoe is dat voor jou?”

‘Hoe is dat voor jou? Geloof jij?,’ vroeg ze. 
‘Ach,’ zei ik, ‘ik heb ooit geloofd, maar ik kan het niet meer. Er is zo veel narigheid op de wereld, dat ik niet kán geloven. Ik denk dat geloof vaak een praatje is om mensen niet ongerust te maken, of erger nog, om ze te onderdrukken. Als er al een god zou zijn, wat ik niet geloof, dan wil ik niets met hem te maken hebben. Iemand die iets maakt dat zo veel lijden veroorzaakt, zelfs al is dat buiten zijn schuld, daar wil ik niets mee te maken hebben, maar jouw bijna-dood ervaring vind ik bijzonder. Heel bijzonder

2 gedachten over “Een goed gesprek”

  1. Hi,
    Voer voor verdere studie : lees Eindeloos Bewustzijn van Paul van Lommel en je weet t ook. Ik geloof ook niet omdat dat niet hoeft. Het is er gewoon. Hierna.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *