Een mooi leven

‘Doe niet te veel moeite, ik heb een mooi leven gehad, het is goed geweest zo.’ Dat waren de laatste woorden van mijn oma voor de operatie waaruit ze niet meer wakker zou worden. Drieënnegentig was ze, ik was zestien. Ik had haar graag gevraagd wat dat precies betekende, een mooi leven. Het kon in ieder geval niets met bezit te maken hebben. Oma had niet veel. Een bed en een linnenkast, een tafel met vier stoelen en in de mooie kamer een salontafel, dressoir en twee fauteuils. Oh ja, een glazen tafeltje met een theeservies van Chinees porselein had ze ook. Van haar zoon gekregen, oom Bertus de zeeman. Ik heb hem nooit gekend. Voor mijn geboorte was hij op zee gebleven. Dat was het dus ook niet, dat oma niks had meegemaakt. Behalve haar zoon Bertus was een broertje van mijn vader overleden als peuter. Te laat naar de dokter gegaan, want het was zondag. Haar oudste dochter was naar Canada geëmigreerd en had daar haar man verloren. Geld om terug te komen was er niet.

Oma leefde in het tijdperk van twee wereldoorlogen en een diepe crisis. Samen met mijn opa had ze een viswinkel. Volgens overlevering een mooie zaak, achter de maagd van Holland in Rotterdam. Die zaak hadden ze moeten verkopen toen mijn opa invalide werd. Oma begon een was- en strijkinrichting. Jammer genoeg zat de tijd voor haar niet mee. Veel mensen konden zich door de groeiende welvaart een eigen wasmachine veroorloven.

Toch had ze een mooi leven gehad. Dat meende ze uit de grond van haar hart. Ze had het vaker gezegd. Nooit had ik doorgevraagd wat ze daarmee bedoelde. Ik moest daar maar eens goed over nadenken, dacht ik. Nu is de pech dat nadenken in mijn geval een langdurig proces is. Dat komt vooral omdat ik niet precies weet hoe dat moet, nadenken. Als ik ergens over nadenk, dan denk ik er vooral aan. Dat maakt het onderwerp op den duur vertrouwd, maar heel veel verder kom je daar niet mee.

Toen ik een jaar of twintig was dacht ik er nog steeds over na. Best irritant, want ik had het gevoel dat ik op moest schieten. Het is in mijn familie niet de gewoonte om erg oud te worden. Met uitzondering van mijn ene oma dan. Mannen worden sowieso niet oud, en krijgen op jonge leeftijd te maken met invaliderende ziektes.  Voor mij zou dat betekenen dat ik rond mijn vijfendertigste geconfronteerd zou worden met de ziekte van Parkinson, net als mijn vader. Merkwaardig genoeg was hij daar al behoorlijk oud mee geworden, althans, in mijn ogen.

Nu wilde het toeval dat ik op mijn twintigste stage ging lopen in een bedrijf waar ik op een kamer kwam te zitten met een chagrijn. In alles het tegenbeeld van mijn oma. ’s Maandag begon hij op te lepelen wat er dat weekend allemaal was mis gegaan, in de loop van de week veranderde het onderwerp naar zijn werk, waar ook al niks van deugde. Het gaf mijn gedachten aan wat een mooi leven moest zijn een nieuwe impuls, want op het oog had deze man alles wat je kon bedenken. Dat sterkte mij in mijn mening dat  een mooi leven niet afhangt van bezit. Bezit kan het zelfs erg moeilijk maken. Een dikke Mercedes die het onderweg af laat weten maakt het er niet eenvoudiger op. Het is blijkbaar ook niet afhankelijk van wat je meemaakt. Voor een mooi leven heb je een grondhouding nodig die het mogelijk maakt om te genieten waar je van genieten kunt. Denk ik.