Simon Corson 
Flitsverhaal:  van 191.

De bieb


Ik kom graag in onze bibliotheek. Voornamelijk om daar ‘s morgens onder het genot van een kopje koffie de krant te lezen. Ik ben de enige niet, we zijn met een min of meer vaste groep. De anderen ken ik bijna uitsluitend van gezicht; we zijn nogal zwijgzaam onder het lezen.

Annie is een uitzondering. Ik weet niet eens meer hoe het komt dat ik haar naam weet. Waarschijnlijk heb ik ooit iemand haar naam horen noemen.

Annie is een vrouw van ergens begin zeventig. Bijzonder vriendelijk en waarschijnlijk de meest trouwe stamgast. Ik ben er nog nooit geweest op een moment dat zij er niet was. Ze haalt altijd voor iedereen koffie en thee uit de automaat. Daarna pakt ze een krant en haar breiwerkje en horen we alleen nog het ritmisch tikken van de naalden.

Gisteren was het anders ze schonk thee voor me in. Ik drink geen thee, nooit gedaan. Het was niet vanwege de drukte, want op dat moment was er nog niemand anders.

Ze pakte haar breiwerkje maar stopte het direct weer met een diepe zucht in haar tas. Haar konen waren vuurrood. Ze stond op, ging weer zitten en bleef wezenloos voor zich uit staren.
‘Wat is er toch, Annie?’ vroeg ik. ‘Heb je niet goed geslapen?’
‘Nee, dat is het niet,’ zei ze. ‘Mijn zoon komt morgen op bezoek. Voor het eerst in zeven jaar en daar zie ik een beetje tegenop.’
‘Dat is toch juist leuk!’ Zei ik. Soms zeg je dingen waarvan je al tijdens het uitspreken bedenkt dat het stom is.
‘Leuk? Ja, het is fijn om je kind thuis te hebben, hoe oud ze ook worden. Toch is het moeilijk voor me.’
‘Tja,’ zei ik, ‘zeven jaar is lang om je kind niet te zien. Dat lijkt me niet fijn, vooral niet als het door een conflict komt.’
‘Nee, nee. Het is niet zo dat ik hem zeven jaar niet gezien heb. Elke week ben ik bij hem op bezoek geweest, een rot eind weg. Het is de eerste keer dat hij weer thuis komt.’

‘Oh, hij is nooit bij jou op bezoek geweest?’
‘Nee, dat was niet mogelijk. Het is een heel verhaal, ik weet niet of je daar op zit te wachten.’
‘Probeer maar,’ zei ik.
‘Durk is een moeilijke jongen. Het ene moment poeslief, het volgende moment is hij vreselijk, vaak zonder dat daar een duidelijke oorzaak voor is. Precies zijn vader.

Negen jaar geleden ben ik bij ze weggegaan. Ik kon de heftige ruzies tussen die twee niet meer aan. Had ik dat maar nooit gedaan. De situatie tussen die twee verslechterde nog meer. Uiteindelijk is dat zijn vader noodlottig geworden.

Morgen heeft Durk zijn eerste onbegeleide verlof. Ik ben zo bang dat hij vol verwijten naar mij zit.’

© 2020 Simon Corson laatst bewerkt februari 2020